Armaturen binnen 5 werkdagen, masten 3 tot 5 weken · Gratis verzending vanaf € 200 excl. btwUitsluitend zakelijke verkoop, prijzen excl. btw · CE-gecertificeerd, tot 10 jaar garantie
LICHTPLEIN
Kennis · 23 september 2026 · 4 min leestijd

Lichtverdeling type II en type III: optieken voor straatverlichting

De optiek bepaalt of het licht op het fietspad, over de hele rijweg of in de tuin van de buren valt. Zo leest u de IES-typen en kiest u de verdeling die bij masthoogte en wegbreedte past.

Wat een IES-type zegt over de lichtverdeling

Een straatarmatuur heeft geen ronde bundel zoals een schijnwerper, maar een optiek die het licht gericht over het wegdek verdeelt. Hoe breed die verdeling is, beschrijven de IES-typen I tot en met V, een indeling uit de Amerikaanse verlichtingsnormen die ook Europese fabrikanten en lichtberekeningsprogramma's gebruiken. De maat is de lichtpunthoogte: een Type II werpt het licht dwars op de weg tot ongeveer 1,75 keer de lichtpunthoogte, een Type III tot 2,75 keer en een Type IV nog verder. Type I is een smalle verdeling naar twee kanten voor een armatuur midden boven een pad, Type V is rondom symmetrisch.

Op een mast van 6 meter dekt een Type II dus een wegdek tot ruwweg 10 meter breed, een Type III tot zo'n 16 meter. Een tweede aanduiding, Short, Medium of Long, zegt hoe ver het licht langs de weg reikt. In de serie VIA vindt u beide hoofdtypen: Type II voor smalle profielen, Type III voor rijwegen.

Type II: fietspaden, voetpaden en smalle straten

Type II past bij profielen waar de mast dicht langs de rand staat en de weg smal is: fietspaden, voetgangersroutes, woonpaden en straten van één rijstrook. Het licht wordt langs het pad gestrekt in plaats van breed naar voren, zodat er weinig in de berm of in aangrenzende tuinen belandt. Juist op 4 meter hoogte telt dat, want daar zit elke meter zijwaartse uitstraling meteen bij de buren.

Voor fietspaden onder de P-klassen van NEN-EN 13201 (P3 gemiddeld 7,5 lux, P4 gemiddeld 5 lux) is de minimumwaarde tussen twee masten de beperkende factor. Een Type II kan die op peil houden bij mastafstanden van ruwweg 20 tot 30 meter op 4 meter hoogte, afhankelijk van padbreedte en lichtstroom; een lichtberekening geeft uitsluitsel. In de serie VIA vindt u daarvoor het armatuur van 25 W met 1.500 lm en Type II Short, afgestemd op 4 meter, en het instelbare armatuur van 20 tot 50 W met 6.750 lm voor bredere paden en smalle straten.

Type III: woonstraten, ontsluitingswegen en bedrijventerreinen

Zodra het wegdek twee rijstroken telt of er parkeervakken langs liggen, is een Type II te smal en blijft de overzijde donker. Type III werpt het licht verder naar voren en is de standaardkeuze voor woonstraten, ontsluitingswegen, interne wegen op bedrijventerreinen en laadzones, meestal op een mast van 6 meter.

Voor rijwegen rekent NEN-EN 13201 met M-klassen op basis van luminantie, bijvoorbeeld 0,75 cd/m² voor M4 en 0,5 cd/m² voor M5, met een gelijkmatigheid Uo van 0,35 tot 0,40. Een Type III op 6 meter haalt dat in de regel bij mastafstanden van 25 tot 35 meter met 50 tot 100 W, afhankelijk van wegbreedte en de reflectie van het wegdek. In de serie VIA vindt u Type III in de armaturen tot 40 W met losse driver en in de DALI-2 uitvoering met D4i; voor rijwegen op 6 meter zijn er daarnaast armaturen van 50 tot 100 W. De VIA-armaturen zijn uitgevoerd in IP66, hebben 10 kV overspanningsbeveiliging en halen tot 160 lm/W.

Parkeerterreinen: symmetrisch of asymmetrisch

Een parkeerterrein is geen weg maar een vlak. Staat de mast midden op het terrein, dan is rondom symmetrisch (Type V) het meest efficiënt: een paaltoparmatuur uit de serie POLARIS of twee straatarmaturen op een dubbele uithouder. Staan de masten aan de rand, dan wilt u een sterk voorwaartse verdeling: Type IV, of een asymmetrische schijnwerper uit de serie FLUX die het hele vlak haalt zonder licht achter de mast te verspillen.

NEN-EN 12464-2 geeft als richtwaarde 5 lux bij weinig verkeer, 10 lux bij gemiddeld en 20 lux bij druk verkeer, met een gelijkmatigheid van 0,25. Omdat die eis lager ligt dan op een rijweg, kunt u met minder masten toe; op 6 meter zijn afstanden tot zo'n 35 meter gebruikelijk.

Short, Medium, Long: de koppeling met de mastafstand

Bij Short ligt het punt van de hoogste lichtsterkte op 1 tot 2,25 keer de lichtpunthoogte langs de weg, bij Medium op 2,25 tot 3,75 keer en bij Long op 3,75 tot 6 keer. Hoe verder dat punt ligt, hoe groter de mastafstand, maar ook hoe vlakker het licht het wegdek raakt en hoe eerder een weggebruiker in de lichtbron kijkt. Verblinding wordt op wegen beoordeeld met de drempelwaardeverhoging TI, niet met UGR zoals in hallen.

Praktisch: Short voor paden en woonstraten, Medium voor rijwegen waar het aantal masten telt. Als vuistregel ligt de mastafstand bij paden op 5 tot 7 keer de lichtpunthoogte en bij rijwegen op 4 tot 6 keer; een bredere en langere optiek haalt de hogere factor. Verandert u de optiek, dan verandert dus ook het aantal masten uit de serie TURRIS, de kabellengte en het aantal mastaansluitkasten uit de serie NEXUS.

Strooilicht beperken: kantelhoek, afscherming en dimmen

De optiek werkt alleen als het armatuur vlak hangt. Met vlak glas en een kantelhoek van 0° gaat er geen licht boven de horizon (ULOR 0 %) en blijft de afsnijding scherp. Elke graad kanteling om de overkant te halen, schuift ook licht naar gevels en hemel; kies dan liever een Type III dan een gekantelde Type II. De armaturen uit de serie VIA kantelen op de mastkop van 60 mm, zodat u ze bij een iets schuin geplaatste mast terug naar horizontaal stelt.

Daarnaast helpen drie maatregelen:

  • een afscherming aan de achterzijde voor masten direct langs tuinen of slaapkamers
  • warm wit licht van 2700 K of 3000 K langs natuur, water en woonbebouwing
  • dimmen in de late nacht via AstroDIM, dipswitch of DALI-2, bijvoorbeeld naar 50 % tussen 23.00 en 6.00 uur

In donkere omgevingszones (E1 en E2 volgens de CIE-indeling) stelt de vergunningverlener hier vaak eisen aan. Een lichtberekening laat per mast zien hoeveel lux op de gevel van de buren valt, nog voordat de eerste mast in de grond staat. Lichtplein levert uitsluitend aan bedrijven; prijzen zijn excl. btw.

Veelgestelde vragen

Wat is het verschil tussen Type II en Type III?

De breedte van de lichtvlek dwars op de weg: Type II tot ongeveer 1,75 keer de lichtpunthoogte, Type III tot 2,75 keer. Op 6 meter is dat grofweg 10 tegenover 16 meter wegbreedte.

Kan ik een Type III armatuur op een fietspad gebruiken?

Het kan, maar een groot deel van het licht valt dan naast het pad in de berm of de tuinen. Op een fietspad van 3 tot 4 meter breed is Type II efficiënter en geeft het minder strooilicht.

Wat betekent Short in Type II Short?

Dat het maximum van de lichtsterkte dicht bij de mast ligt, op 1 tot 2,25 keer de lichtpunthoogte. Dat houdt de verblinding laag en past bij de mastafstanden van paden.

Welke optiek kies ik voor een parkeerterrein?

Masten midden op het terrein: symmetrisch (Type V). Masten langs de rand: Type IV of een asymmetrische schijnwerper. Een lichtberekening laat zien welke variant met de minste masten 10 lux haalt.

Bekijk de straatarmaturen met Type II en Type III optiek in de serie VIA, of laat ons in een lichtberekening uitzoeken welke verdeling en mastafstand uw profiel nodig heeft.